Wat zijn de kosten voor een procedure bij de kantonrechter?

Voor een geschil op het gebied van huurrecht, arbeidsrecht en consumentenzaken kunnen partijen zich wenden tot de kantonrechter. Dit is een doorgaans relatief laagdrempelige manier voor partijen om een gerechtelijk oordeel te krijgen. Vaak speelt het financiële aspect daarbij nog wel een rol en daar komen nogal eens wat aspecten bij kijken. Met welke kosten partijen rekening moeten houden, bespreekt onze advocaat procesrecht.  

Griffierecht, salaris gemachtigde en proceskostenveroordeling

De kosten voor een rechtbankprocedure vallen doorgaans uiteen in drie aspecten: dit is het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht, eventueel salaris gemachtigde (doorgaans een jurist of advocaat) en een eventuele proceskostenveroordeling. Gaat het om een spoedprocedure bij de kantonrechter, dan heet dat een kort geding. De kosten voor een kort geding kunnen in enige mate afwijken van een reguliere bodemprocedure bij de kantonrechter.

Griffierecht

Als een partij eiser is in een geschil en hij brengt een dagvaarding uit, dan betaalt hij griffierecht. Rechtspersonen betalen daarbij een hoger griffierecht dan particuliere personen. Bij vorderingen tot €12.500 of als het gaat om een geschil op het gebied van huurrecht, arbeidsrecht of consumentenrecht, dan betaalt een particuliere persoon €81,- griffierecht (2019). Afhankelijk van de vordering betaalt een rechtspersoon maximaal €972,-. Een partij die gedaagde is (ook wel: verweerder) is geen griffierecht verschuldigd.

Salaris gemachtigde

Het tweede aspect is het salaris van de gemachtigde in de procedure. Zowel een rechtspersoon als particuliere persoon hoeven zich in een kantonprocedure niet verplicht te laten bijstaan. Zij mogen ook zelf hun zaak bepleiten en alle proceshandelingen verrichten zoals het uitbrengen van de dagvaarding. Als partijen zich laten bijstaan, kan de gemachtigde aanspraak maken op zogenoemd salaris. In de Aanbeveling tarieven kort geding en kanton staan de verschillende hoogtes van het salaris opgenomen. Verreweg de meeste zaken vallen onder de categorie ‘gemiddeld’. Het salaris van de gemachtigde is dan €720,-. Dit salaris is feitelijk ‘fictief’, in die zin dat niet de persoon die de gemachtigde inschakelt dit salaris dient te voldoen. De partij is wel aan zijn eigen gemachtigde de onderling afgesproken vergoeding verschuldigd. Als de gemachtigde geen advocaat is, kan de kantonrechter bepalen dat het salaris wordt gehalveerd.

Proceskostenveroordeling

Het laatste onderdeel wat betreft het financiële aspect voor een kantonprocedure zijn de proceskosten. De in het ongelijk gestelde partij zal in beginsel de proceskosten van de andere partij, waaronder salaris gemachtigde, moeten betalen. Het is echter sterk overgelaten aan het oordeel van de kantonrechter of hij een proceskostenveroordeling uitspreekt, al is dit wel eerder regel dan uitzondering. Het komt ook voor dat de kantonrechter bepaalt dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen. Op deze wijze kan het voorkomen dat een gedaagde partij geen (proces)kosten maakt, omdat hij geen griffierecht heeft hoeven betalen en zich ook niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde. Bij een natuurlijke persoon geldt: het maakt voor een proceskostenveroordeling in principe niet uit of hijzelf of zijn wederpartij op basis van pro-deo procedeert.

Resumerend

Resumerend: als een partij een procedure start, zal die partij aldus met de volgende kosten rekening moeten houden. Ten eerste de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding: deze bedraagt doorgaans circa €80,-. Daarnaast betaalt die partij griffierecht. De hoogte hiervan is afhankelijk van de hoogte van de vordering en de vraag of de eisende partij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is. De hoogte van het griffierecht varieert daarmee van circa €81,- voor een natuurlijke persoon tot een bedrag van maximaal €972,- voor een rechtspersoon.

Eventueel: buitengerechtelijke incassokosten

Een ander, minder voorkomend aspect is dat de eisende partij onder omstandigheden aanspraak kan maken op buitengerechtelijke incassokosten. Daarvan kan sprake zijn als het geschil een geldvordering betreft. Als de eisende partij zijn schuldenaar aanspreekt tot betaling, kan de eisende partij de schuldenaar nog een termijn van minimaal 14 dagen geven om alsnog te betalen. Voorwaarde voor buitengerechtelijke incassokosten is dan wel dat de eiser in die brief opneemt dat hij het bedrag zal verhogen als de schuldenaar niet alsnog betaalt. De hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten bedraagt 15% van de hoofdsom.

Categorie

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

1000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Woensdag inloopspreekuur