Wanneer kan een dwangsom worden opgelegd bij verbod om te verrekenen?

Wie in een gerechtelijke procedure in het gelijk wordt gesteld, heeft vaak de mogelijkheid om het vonnis ten uitvoer te leggen. Dat betekent dat de partij executiemaatregelen kan treffen om zijn vordering voldaan te krijgen. Soms is een vordering echter ‘waardeloos’ als het bijvoorbeeld gaat om een doen of nalaten en daaraan geen dwangsom gekoppeld wordt. De verliezende partij heeft immers in dat geval geen prikkel om het vonnis na te komen en kan het vonnis eenvoudigweg naast zich neerleggen. Soms is een dwangsomveroordeling echter niet mogelijk: dit legt onze advocaat procesrecht uit aan de hand van een recent arrest van de Hoge Raad.

Wanneer is dwangsomveroordeling mogelijk?

In de praktijk wordt bij een dagvaardingsprocedure een vordering vrijwel altijd gekoppeld aan een dwangsomveroordeling. De partij die zich niet de uitspraak houdt, verbeurt in dat geval voor elke dag, dagdeel of gedraging in strijd met het vonnis een dwangsom. Een dwangsom is in beginsel altijd mogelijk, behalve als het gaat om de vordering tot betaling van een geldsom. In dat geval is het vonnis namelijk direct voor tenuitvoerlegging vatbaar. Het heeft dan ook geen zin om een partij op die wijze te prikkelen om zelfstandig aan het vonnis te voldoen.

Declaraties onjuist?

In de procedure bij de Hoge Raad ging het om twee bedrijven: zorginstelling Ciran en zorgverzekeraar VGZ. Over de jaren had Ciran declaraties ingediend bij VGZ, welke allemaal door VGZ werden voldaan. Uiteindelijk stopte VGZ met het betalen van declaraties van Ciran omdat zij van mening was dat het declaratiegedrag van Ciran onjuist was.

Dreigend faillissement

Daarnaast was VGZ van mening was dat zij door het onjuiste declaratiegedrag een tegenvordering op grond van onverschuldigde betaling had op Ciran. Daardoor maakte zij gebruik van haar wettelijke bevoegdheid om te verrekenen. Uiteindelijk heeft VGZ verrekend tot een bedrag van €7.000.000,-. Ciran raakte daardoor in ernstige financiële problemen en kwam door de verrekeningen in staat van faillissement te verkeren.

Vordering tot het verbieden van verrekening

Daarop startte Ciran een kort gedingprocedure. Daarin vorderde zij dat Ciran zich door de uitspraak zou onthouden van enige vorm van opschorting, inhouding of verrekening t.a.v. de declaraties van VGZ, zolang zij niet in een bodemprocedure duidelijkheid hebben gekregen over de juistheid van de declaraties van Ciran jegens VGZ. Zij heeft daarnaast gevraagd om dat bevel te koppelen aan een dwangsom. Daardoor zou zij aldus een stok achter de deur hebben om VGZ zich aan het vonnis van de rechter te houden.

Belangenafweging bij verrekening in kort geding

In eerste aanleg wees de kort gedingrechter de vorderingen van Ciran af, maar in hoger beroep kreeg Ciran alsnog gelijk. Dat kwam kort gezegd omdat in de kort gedingprocedure onvoldoende duidelijk was of de tegenvorderingen van VGZ rechtmatig waren en het hof daardoor een belangenafweging moest maken. Namelijk, enerzijds dat Ciran gelijk had en VGZ nadien niets meer zou kunnen verhalen omdat Ciran failliet was verklaard en anderzijds de situatie dat als VGZ wel gelijk had, Ciran hoe dan ook in staat van faillissement zou worden verklaard.

Dwangsom

Het hof stelde op grond van de belangenafweging Ciran in het gelijk. Aldus werd VGZ verboden om in de tussentijd gebruik te maken van de mogelijkheid om te verrekenen, op te schorten of in te houden. Het hof koppelde aan deze veroordeling een dwangsom van €50.000,- per dag met een maximum van €1.000.000,-.

Verrekening feitelijk betaling van een geldsom?

VGZ was het hier niet mee eens. Zij stelde zich bij de Hoge Raad op het standpunt dat de dwangsom feitelijk gekoppeld was aan de betaling van een geldsom. Op grond van art. 611a lid 1 Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom is dat niet mogelijk. De achtergrond van dit artikel is dat bij een veroordeling tot betaling van een geldsom, het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd. Als dat niet kan, is medewerking van de andere partij noodzakelijk. In dat geval ligt een dwangsomveroordeling wel op de plaats.

Criterium: medewerking is noodzakelijk

De Hoge Raad stelde VGZ in het ongelijk. Hij oordeelde dat verrekening, opschorting of inhouding door VGZ alleen kan als zij haar medewerking verleent: anders kan zij immers eenvoudigweg zonder beletsel van de bevoegdheid gebruik maken. De Hoge Raad was ook van mening dat dit niet met een geldvordering gelijk te stellen viel: door het vonnis van het hof werd VGZ immers niet gedwongen om te betalen. Het was ook geen indirecte veroordeling: ongeacht of VGZ zou opschorten, waren de declaraties van Ciran immers nog niet voldaan.

Dwangsom tegenover executiemaatregelen

Uit het arrest blijkt dat het altijd raadzaam is om stil te staan bij de vraag wanneer een dwangsomveroordeling mogelijk is. In de praktijk is het overigens beter om eerder wel, dan niet een dwangsomveroordeling aan de vordering te koppelen: als het immers gaat om een situatie waarbij dit niet mogelijk is, is het vonnis direct voor tenuitvoerlegging vatbaar.

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

1000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Woensdag inloopspreekuur