Relatieve bevoegdheid, absolute bevoegdheid en rechtsmacht: hoe zit dat?

Welke rechtbank is (geografisch gezien) bevoegd om van een geschil of verzoek kennis te nemen? Dit staat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en wordt aangeduid met de term relatieve bevoegdheid. Daarnaast is van belang om te weten welke rechterlijke instantie absoluut bevoegd is om de zaak te behandelen. Beide staan uitdrukkelijk beschreven in de wet en doorgaans kan daarbij weinig misgaan. Wel kan het in de praktijk problemen opleveren als bijvoorbeeld niet duidelijk is wie de waar de wederpartij gevestigd is: denk hierbij aan een grote onderneming met meerdere nevenvestigingen in Nederland. En hoe zit het bijvoorbeeld met de bevoegdheid van de rechter als een procespartij verhuist? Dit bespreekt onze advocaat procesrecht. Ook volgt een korte bespreking van de samenhang tussen absolute bevoegdheid, relatieve bevoegdheid, rechtsmacht en toepasselijk recht.

Verzoekschriftprocedures en dagvaardingsprocedures

Zoals gememoreerd bepaalt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke rechterlijke instantie geografisch gezien bevoegd is om van een procedure kennis te nemen (relatieve bevoegdheid). Hierbij kan het gaan om een procedure die wordt ingeleid met een dagvaarding of met een verzoekschrift. Hierna wordt eerst kort ingegaan op de dagvaardingsprocedure.

Relatieve bevoegdheid bij dagvaardingsprocedures

Welke rechter bij een dagvaardingsprocedure relatief (en aldus: geografisch) gezien bevoegd is om van een procedure kennis te nemen, staat opgenomen in art. 99 e.v. Rv. Bij een dagvaarding luidt de hoofdregel dat de rechtbank van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Hierbij kan het gaan om een natuurlijk persoon (particulier) of een rechtspersoon. Bij natuurlijk personen kan de dagvaarding worden betekend op het adres waar de partij volgens de basisregistratie personen staat ingeschreven. De deurwaarder betekent de dagvaarding dan aan hem in persoon en verifieert allereerst of de persoon ook daadwerkelijk op het adres staat ingeschreven. Is dit het geval en treft hij niemand aan, dan laat hij de dagvaarding achter in de brievenbus achter in een gesloten envelop.

Woonplaats gedaagde partij

Bij een dagvaardingsprocedure geldt dus het principe dat de eiser de zaak moet aanbrengen bij de rechtbank van de woonplaats van de gedaagde partij. Heeft de gedaagde volgens de BRP geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een bekend brievenbusadres, dan kan de eiser de dagvaarding doen betekenen aan het brievenbusadres. Bij rechtspersonen is de statutaire zetel leidend. Deze blijkt niet altijd uit de KvK gegevens. Formeel gezien is het niet correct om de dagvaarding te betekenen aan een nevenvestiging, maar in de praktijk leidt dit zelden tot een niet-ontvankelijkverklaring. Blijkt overigens een verkeerde rechtspersoon te zijn gedagvaard (bijvoorbeeld een dochteronderneming), dan kan de eiser – onder voorwaarden – een verzoek tot rectificatie indienen.

Zaakverdelingsreglement

Tot slot is het bij dagvaardings- en verzoekschriftprocedures voor wat betreft de relatieve bevoegdheid van belang om rekening te houden met het zaakverdelingsreglement. Elk arrondissement heeft namelijk meerdere rechtbanken en niet elke rechtbank behandelt alle typen zaken. Alle zaakverdelingsreglementen zijn gepubliceerd in de Staatscourant en zijn daarnaast vindbaar via deze link. 

Relatieve bevoegdheid bij verzoekschriftprocedures

De relatieve bevoegdheid bij verzoekschriftprocedures regelt de wet in art. 262 Rv. Een procedure moet met een verzoek worden ingeleid als de wet dit bepaalt: het betreffende wetsartikel waarop het verzoek is gebaseerd, meldt dan expliciet ‘(op) verzoek’. Bij een verzoekschriftprocedure luidt de hoofdregel dat de rechtbank van de woonplaats van de verzoekende partij (of, bijvoorbeeld bij een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding, één van hen) bevoegd is (art. 262 Rv). Daarnaast is de rechtbank van de woonplaats van één van de belanghebbende partijen relatief bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. In tegenstelling tot een dagvaarding heeft de verzoeker dus vaak keuzevrijheid.

Soms komt het voor een partij geen (bekende) woonplaats in Nederland heeft. De wet bepaalt in art. 262 e.v. Rv dat in dat geval de rechter van het werkelijk verblijf van die partij bevoegd van het verzoek kennis te nemen – overigens heeft dit alleen betrekking op een ‘werkelijk verblijf’ in Nederland. Als de partij niet in Nederland verblijft, dan is de rechtbank Den Haag relatief bevoegd (art. 109 Rv bij een dagvaarding jo. 269 Rv ingeval van een verzoekschrift). Let wel: enkel het feit dat een rechtbank relatief bevoegd is, betekent niet de rechtbank inhoudelijk het verzoek mag behandelen, zie hierna.

Domiciliekeuze bij dagvaarding of verzoekschrift

Soms willen partijen dat een andere rechtbank de procedure in behandeling neemt. In dit kader kunnen partijen onderling afspreken welke rechter (relatief) bevoegd is om van de procedure kennis te nemen. Dit kan bijvoorbeeld om praktische redenen, zoals reistijd. Dit heet ook wel domiciliekeuze. Doorgaans is domiciliekeuze alleen gebruikelijk bij dagvaardingsprocedures; bij verzoekschriftprocedures kunnen partijen in principe ook kiezen, maar dit komt in de praktijk echter weinig voor; als een of meer belanghebbenden in de procedure niet verschijnen, moet de rechtbank zich namelijk onbevoegd verklaren. Bij een verzoekschrift is domiciliekeuze aldus zelden aan te raden.

Relatieve bevoegdheid bij (tussentijdse) verhuizing

Zoals in de inleiding al genoemd, kan het soms voorkomen dat een partij gedurende een procedure verhuist. De regel is echter eenvoudig: bij een eenmaal ingediende procesinleiding blijft de rechtbank bevoegd om van de procedure kennis te nemen. Dit geldt zelfs als een partij naar het buitenland verhuist. Omdat verordeningen vaak een specifieke bepaling bevatten over wanneer welke rechter bevoegd is, is het altijd van belang om na te gaan wat die verordening in dat geval bepaalt. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het huwelijksvermogensrecht: trouwen echtgenoten bijvoorbeeld in het buitenland, dan kan het zijn dat in het kader van een eventuele echtscheiding (toch) Nederlands recht van toepassing is. Dit is echter voor de relatieve bevoegdheid niet relevant, zie hierna.

Absolute bevoegdheid

Dan speelt nog de vraag m.b.t. absolute bevoegdheid. Gaat het om een civiele zaak (bijv. arbeidsrecht, personen- en familierecht), dan is het doorgaans overzichtelijk: het gros van de zaken moet ofwel bij de sector kanton, ofwel bij de sector civiel van de rechtbank worden aangebracht. Gaat het om een kwestie op het gebied van het bestuursrecht, dan speelt de zaak bij de sector bestuur van de rechtbank. In hoger beroep is dit de RvS, de CRvB of het CBb (afhankelijk van de aard van de zaak).

In civiele zaken is de kantonrechter bij onder meer zaken op het gebied van huurrecht, arbeidsrecht en (geld)vorderingen met een waarde van maximaal €25.000,- absoluut bevoegd. In andere gevallen is dit sector civiel. Overigens leidt het zelden tot problemen als een zaak wordt aangebracht bij de sector kanton, terwijl dit eigenlijk de sector civiel had behoren te zijn (of andersom); de wet bepaalt in art. 71 namelijk dat de rechtbank in dat geval de zaak doorverwijst naar de juiste sector ter verdere behandeling. Bij procedures in het bestuursrecht bevatten de Awb en enkele bijzondere wetten hieromtrent een regeling.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Tot slot spelen (met name bij internationale zaken) de begrippen rechtsmacht en toepasselijk recht een rol. Het is hierbij van belang om de termen rechtsmacht, relatieve en absolute bevoegdheid en toepasselijk recht goed uit elkaar te houden: in het kader van de relatieve bevoegdheid is er altijd een rechtbank in Nederland waar de procedure kan worden aangebracht. Het is echter van groot belang om te letten op relevante verordeningen en verdragen, omdat deze voor de Nederlandse wet- en regelgeving gaan.

Rechtsmacht

De term rechtsmacht geeft aan wanneer de Nederlandse rechter (met name bij zaken met een internationaal karakter) een procedure in behandeling mag nemen. Wanneer dat het geval is, bepaalt de wet in art. 2 e.v. Rv. Zoals gememoreerd gaan verordeningen en verdragen hierbij voor de toepasselijke wettelijke Nederlandse bepalingen. Zijn die er niet, dan moet worden teruggevallen op de bepalingen uit Burgerlijk Wetboek 10. Hierin staat opgenomen welk recht op de procedure van toepassing is. Bij procedures met een internationaal karakter kan het zomaar voorkomen dat de Nederlandse rechter buitenlands recht op een zaak moet toepassen, of een buitenlandse rechter die Nederlands recht toepast. Het idee achter het concept rechtsmacht is dat landen wensen te voorkomen dat er beslissingen worden gegeven die (te) ver ingrijpen in de soevereiniteit van een ander land.

Hierna volgen nog twee voorbeelden om de materie te verduidelijken.

Voorbeeld 1: (internationale) verzoekschriftprocedure

Verzoekende partij (ouder 1 en stiefouder) wonen met kind in het buitenland. Ouder 2 woont in Nederland en heeft met ouder 1 het gezamenlijk gezag over hun kind naar Nederlands recht. Ouder 1 wilt het gezamenlijk gezag naar Nederlands recht wijzigen en dient daarvoor een verzoek in bij de Nederlandse rechter. Art. 262 Rv e.v. – waaronder art. 265 Rv – wijzen geen bevoegde rechter aan, zodat de hoofdregel van art. 269 Rv van toepassing is: de rechtbank Den Haag, sector civiel is relatief en absoluut bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Verordeningen en verdragen gaan echter boven de Nederlandse wet en op grond van de hoofdregel van art. 5 Brussel II-bis verordening is in dit geval de rechter bevoegd van het grondgebied waar het kind zijn verblijf heeft. De rechtbank Den Haag dient zich om die reden (alsnog) onbevoegd te verklaren, ook al is voldaan aan de bepalingen van art. 262 e.v. Rv. Let op: bij internationale procedures is het ook altijd van belang om rekening te houden met art. 3 e.v. Rv., met name als er geen verordening of verdrag op de procedure van toepassing is die iets regelt over de bevoegdheid.

Voorbeeld 2: dagvaardingsprocedure onderneming

Een partij spreekt een nevenvestiging van een onderneming in rechte aan. De onderneming heeft haar statutaire zetel in plaats x. De partij moet de dagvaarding in principe betekenen aan het adres in plaats x, zodat de rechtbank binnen dat arrondissement bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Gaat het bijvoorbeeld om een arbeidsgeschil (zoals een vordering tot loondoorbetaling), dan is de kantonrechter van plaats x relatief bevoegd om van deze vordering kennis te nemen. Let op: als het gaat om een internationale onderneming, is het ook hier van belang om acht te slaan op eventuele verordeningen en verdragen. Als het gaat om een vordering uit overeenkomst, kan het bovendien zijn dat deze een forumkeuzeclausule bevat.