Geografische beperking concurrentiebeding: feitelijke locatie bepalend?

In een recente procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden vordert een werkgever nakoming van een overeengekomen concurrentiebeding. De werkgever meent dat met het concurrentiebeding wordt bedoeld dat de werknemer niet bij een concurrent mag werken die een vestiging heeft binnen 30 kilometer van het (hoofd)kantoor van de werkgever. De werknemer ziet dit echter anders en meent dat de locatie waar hij zijn feitelijke werkzaamheden verricht hierbij leidend zijn en hij om die reden het concurrentiebeding niet overtreedt. Onze advocaat arbeidsrecht bespreekt de uitkomst van deze zaak.

Feiten en omstandigheden

De feiten: de werknemer is vanaf 24 februari 2001 tot en met 1 maart 2018 in dienst geweest bij de werkgever, Hornbach. Eerst op basis van een contract voor bepaalde tijd, later voor onbepaalde tijd. Aanvankelijk was de werknemer aangesteld als verkoopmedewerker, maar later groeide hij door naar Webshop Manager. Het primair overeengekomen concurrentiebeding bleef daarbij onverkort van kracht, zonder dat de werkgever bij zijn nieuwe aanstellingen de strekking van het concurrentiebeding nader had toegelicht.

Inhoud en strekking concurrentiebeding

Artikel 18 van de laatstgenoemde arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

Het is de meerderjarige werknemer verboden om, zowel gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst als gedurende 1 jaar na beëindiging daarvan, direct of op enigerlei wijze indirect rond 30 kilometer van uw vestiging, hetzij voor, door of met anderen een onderneming te drijven of op enigerlei wijze werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn, hetzij financieel of anderszins belang te hebben bij een bestaande of nog te stichten onderneming met soortgelijke bedrijfsactiviteiten als van de werkgever waarmee deze arbeidsovereenkomst is gesloten.

Concurrentiebeding van kracht, want ‘exposure’?

Op 29 december schrijft de werknemer Hornbach aan met de mededeling dat hij de arbeidsovereenkomst tegen 1 maart 2018 opzegt en dat hij in dienst zal treden bij concurrent Bauhaus Nederland C.V. Daarop stelt Hornbach de werknemer per direct op non-actief en wordt de werknemer kort daarna door de advocaat van Hornbach aangesproken met de sommatie om zich aan het concurrentiebeding te houden. Daarbij wordt onder meer aangegeven dat Hornbach veel heeft geïnvesteerd in de kennis en kunde van de werknemer en dat hij vanuit zijn laatste functie als Webshop Manager over bedrijfsgevoelige informatie beschikt. De ‘exposure’ van die informatie is om die reden zeer schadelijk voor Hornbach.

Terughoudendheid in kort geding: schorsing en matiging mogelijk?

In de procedure toetst het hof allereerst of de vorderingen van de werknemer tot schorsing en matiging voor toewijzing vatbaar zijn. Ten aanzien van het verzoek tot matiging luidt het oordeel van het hof negatief, omdat het een kort gedingprocedure betreft en toewijzing van deze vordering een zogenoemd ‘constitutief’ karakter heeft. Een dergelijk vonnis kan niet in kort geding worden uitgesproken. Ten aanzien van de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding oordeelt het hof dat terughoudendheid in dit verband op zijn plaats is, omdat een toewijzing daarvan in de bodemprocedure nauwelijks te herstellen valt.

Geografische beperking: uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf

Het belangrijkste aspect in de procedure komt aldus op het volgende aan: in hoeverre kan de werknemer in geografisch opzicht door het concurrentiebeding worden beperkt? Het hof toetst aldus aan de Haviltex-maatstaf om na te gaan wat de bedoeling van partijen is geweest ten aanzien van het concurrentiebeding. Hornbach stelt in dit verband dat het haar bedoeling is geweest om werknemers te verhinderen over te stappen naar het hoofdkantoor van concurrenten die gevestigd waren binnen 30 kilometer rond de vestigingsplaats van Hornbach. Uit de omstandigheden blijkt echter niet dat deze bedoeling ook kenbaar was voor de werknemer. Het hof rekent het Hornbach bovendien aan dat bij de laatstelijk overeengekomen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet is gesproken over de strekking van het concurrentiebeding, dat nagenoeg gelijkluidend was als die gold ten tijde van zijn werkzaamheden als verkoopmedewerker.

Vordering tot schorsing toegewezen

Gelet op de omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de letterlijke bewoordingen van het concurrentiebeding leidend zijn in deze procedure. Zolang de werknemer niet binnen een straal van 30 kilometer van het hoofdkantoor van Hornbach werkzaam is, overtreedt hij naar het oordeel van het hof niet het overeengekomen concurrentiebeding. Aldus is de plaats waar de werkzaamheden feitelijk worden verricht leidend, en niet de plaats van vestiging van de nieuwe werkgever van de werknemer. Het hof ziet in dit verband aanleiding om het concurrentiebeding met ingang van 1 januari 2019 te schorsen. De vorderingen van de werkgever tot nakoming van het concurrentiebeding worden afgewezen.