Een omgangsregeling vraagt vaak specifiek aandacht voor de leeftijd van het kind. Dit is van belang omdat ouders ofwel zelf een omgangsregeling kunnen afspreken of dit via de rechtbank kunnen laten vaststellen. Bij (zeer) jonge kinderen is het echter vaak van groot belang dat de ouders onderling een omgangsregeling overeenkomen. Onze advocaat personen- en familierecht legt uit hoe ouders dit het beste kunnen aanpakken.

Praktische toepassing omgangsregeling

Over het algemeen is een omgangsregeling bij (zeer) jonge kinderen zoals baby’s vaak moeilijk na te komen. De voornaamste reden hiervoor is dat het kind hoofdverblijf heeft bij één van de ouders. Voor de ontwikkeling en hechting van het kind is het van groot belang dat het regelmatig contact met beide ouders heeft. Praktisch gezien betekent dit dat met name jonge kinderen (tussen 0 en 2 jaar) zoveel als dienen zoveel als mogelijk bij de inwonende ouder te verblijven. Dit is meestal de moeder. Als ouders gaan scheiden, kunnen de ouders door middel van een voorlopige voorziening vragen om een toebedeling van de woning. Meestal kan de moeder dan aanspraak maken op de woning.

Opties: onderlinge afspraak of via rechtbank

Als de ouders (de vader en/of de moeder) toch een omgangsregeling willen – hetgeen gezien de ontwikkeling van de baby van belang is – hebben zij twee verschillende mogelijkheden. Een daarvan is dat zij onderling een omgangsregeling afspreken, eventueel onder begeleiding van een advocaat of mediator. Komen zij er onderling niet uit, dan kan de rechtbank op verzoek van de ouders een omgangsregeling vaststellen. Beide opties worden hierna besproken.

Optie 1: onderlinge afspraak

Een omgangsregeling bij jonge kinderen (0-2 jaar) is in principe alleen mogelijk als de ouders onderling goede afspraken kunnen maken over de zorgverdelingstaken. Omdat het in het belang van het kind is dat het zoveel als mogelijk bij de inwonende ouder verblijft, zal de andere ouder dan ook in elk geval enkele uren per week op bezoek moeten komen. Een andersluidende regeling is vaak, gezien de hechting en ontwikkeling van het kind, vaak niet in diens belang: zo is een omgangsregeling van 50-50 doorgaans praktisch niet uitvoerbaar. Juridisch gezien kan de vader bij een zeer jonge leeftijd van het kind hierop ook geen aanspraak maken. Zo is een co-ouderschap, waarbij in principe sprake is van een 50-50 verdeling, alleen praktisch mogelijk als het kind de kleuterfase gepasseerd is.

Advies advocaat of mediator

In het kader van de omgangsregeling is het om deze reden vaak het beste als ouders zo nodig afspraken met behulp van een advocaat of mediator. Als er sprake is van een echtscheiding kunnen de ouders hierover al advies inwinnen van hun advocaat. Omdat de rechtspraak het ‘eerder frequent dan lang’ criterium hanteert, is een omgangsregeling tussen het kind en de vader van enkele uren per week realistisch. Naarmate het kind ouder wordt kunnen de ouders deze omgangsregeling telkens periodiek uitbreiden. Deze uitbreiding kan reeds zijn opgenomen in het ouderschapsplan, of de ouders kunnen het ouderschapsplan (c.q. de omgangsregeling) tussentijds in onderling overleg wijzigen. Ten slotte kan de omgangsregeling ook op verzoek van een of beide ouders door de rechtbank worden gewijzigd.

Optie 2: vaststellen omgangsregeling via rechtbank

Komen de ouders er onderling niet uit, dan kan de rechtbank zoals gezegd een omgangsregeling vaststellen. Dit kan in een kort geding (ook wel: voorlopige voorziening). De rechtbank kan in dat geval een voorlopige omgangsregeling vaststellen. Dit is m.n. wenselijk omdat het definitief vaststellen van een omgangsregeling maanden kan duren. Bij zeer jonge kinderen is het echter vaak lastig om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen omdat de rechtbank slechts beperkt kan onderzoeken wat in het belang van het kind is. Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming moet daarvoor uitkomst bieden. In een voorlopige voorziening is dat onderzoek echter vaak niet mogelijk.

Eerder frequent dan lang criterium

Zoals aangegeven is het bij (zeer) jonge kinderen zoals baby’s het uitgangspunt dat de contactmomenten tussen het kind en de niet-inwonende ouder (meestal de vader) frequent en kort dient te zijn. Een vast ‘model’ of urennorm wordt daarbij niet gehanteerd, omdat dit per geval kan verschillen. Het ‘eerder frequent dan lang’ criterium gaat uit van het  principe dat de moeder fungeert als primair hechtingsfiguur en dat het kind frequente, doch korte contactmomenten met de vader moet hebben. Dit kan ook helpen voorkomen dat een kind, zodra het ouder wordt, op een bepaald moment geen omgang meer wenst met een van de ouders. Een kind kan overigens ook, als het oud genoeg is, zelf om een omgangsregeling verzoeken. Soms komt het voor dat de moeder rond de geboorte van het kind een nieuwe partner krijgt. Die ouder is dan de stiefouder en kan. Onder voorwaarden kan deze het kind als stiefouder erkennen. Dat kan invloed hebben op een (bestaande) omgangsregeling.

Toepassing in de praktijk

Ter voorbeeld: zo is bijvoorbeeld een absentie van de vader gedurende drie weken, gecompenseerd met één week contact, niet in het belang van het kind. Dit geldt met name als de primaire hechtingsfiguur – doorgaans de moeder – gedurende die tijd absent is. Over het algemeen geldt: bij met name (zeer) jonge kinderen zoals baby’s kan de vader over het algemeen aanspraak maken op enkele contacturen per week van ten hoogste een paar uur. Pas als het kind ouder wordt is het mogelijk dat het bij de vader komt te overnachten. Naarmate het kind ouder wordt kan de omgangsregeling worden uitgebreid.

Slotsom

Voor ouders geldt tot slot: afspraken in onderling overleg verdient altijd de voorkeur. Met name als het kind ouder wordt kan het zijn dat het kind geen omgang meer wil met een van de ouders. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

5000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Door Edward Appelman op 10 augustus 2019 Leestijd: 4 minutes