Termijn griffierechten bij verzetprocedure en verstek

Als een gedaagde partij niet op de zitting verschijnt kan de rechter onder bepaalde voorwaarden aan die partij verstek verlenen. De rechter zal dan een verstekvonnis wijzen, tenzij de partij in de tussentijd het verstek ‘zuivert’. Nadien bestaat nog de mogelijkheid in verzet te komen. In deze gevallen dient wel rekening te worden gehouden met een tijdige betaling van het griffierecht. Verzuim hiervan kan ernstige gevolgen hebben, zo bleek onlangs in een recente procedure. Onze advocaat procesrecht bespreekt deze zaak.

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

De wet meldt omtrent de betaling van griffierechten het volgende (art. 147 lid 3 Rv):

“De eiser is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting of bij gebreke daarvan vanaf de eerste roldatum en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort. De gedaagde is het griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en zorgt dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.”

Feiten en procesverloop

In de hier te bespreken procedure dagvaardt onderneming B onderneming A voor de rechter. A verschijnt niet op de zitting, waarop de rechter aan hem A verstek verleent en op 7 februari een verstekvonnis wijst. Dat houdt in dat de vorderingen van B door de rechter worden toegewezen, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. In die gevallen bestaat overigens geen mogelijkheid om in hoger beroep te gaan, maar is het enige ‘rechtsmiddel’ om tegen het verstekvonnis in verzet te komen. A maakt hiervan gebruik en betekent op 29 juni 2018 de verzetdagvaarding aan B.

Termijnen voor betaling griffierecht bij verzet

Voor een gerechtelijke procedure zijn partijen griffierecht verschuldigd. Bij een verzetprocedure is het griffierecht verschuldigd vanaf de eerste roldatum en dient de eiser er zorg voor te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank. Voor A als gedaagde partij geldt een termijn van vier weken na de eerste roldatum in de verzetprocedure. De rechtbank informeert bij brief van 6 september 2018 bij A waarom het griffierecht niet tijdig is voldaan.

Roldatum of feitelijke behandeling ter zitting?

Daarop stelt de advocaat van A dat het griffierecht weliswaar te laat is betaald, maar dat zulks komt omdat de rechtbank door zijn schrijven van 15 augustus 2018 de verwachting heeft gewekt dat de zitting pas daadwerkelijk in het eerste kwartaal van 2019 zou plaatsvinden. Zij stelt dat het griffierecht daardoor alsnog vóór de zitting is betaald, zodat de in art. 127a Rv neergelegde hardheidsclausule meebrengt dat het handhaven van deze termijn als onbillijk moet worden aangemerkt.

Hardheidsclausule?

De rechtbank overweegt in dit verband dat een advocaat op grond van zijn deskundigheid en kennis moet worden geacht op de hoogte te zijn van de betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Omdat A in de oorspronkelijke procedure niet was verschenen en zij daarvoor alsnog binnen vier weken na de eerste roldatum in de verzetprocedure het griffierecht had behoren te voldoen, komt dit verzuim voor haar rekening. Het verstekvonnis van 7 februari 2018 wordt bekrachtigd.