Distributieovereenkomst: vertrouwensbreuk voldoende voor opzegging?

In een recente procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden betrekt een distributeur zijn leverancier in rechte in verband met een voorgenomen opzegging van de distributieovereenkomst. De leverancier verneemt dat gelieerde ondernemingen van de distribiteur in staat van faillissement verkeren en vreest dat zulks consequenties zal hebben voor de door de distributeur te leveren goederen. De distributeur is het met die opzegging niet eens en vordert dat de leverancier de distributieovereenkomst in stand zal laten. Onze advocaat verbintenissenrecht bespreekt de uitkomst.

Distributieovereenkomst

De feiten: de leverancier, EMIE, is een onderneming gevestigd te Almere. De distributeur, Eastman, is een onderneming met statutaire zetel in de VS. Eind 2017 worden een aantal gelieerde ondernemingen van EMIE in staat van faillissement verklaard. In februari 2018 stuurt een van de bestuurders van EMIE een bericht aan Eastman waarin zij aangeeft dat het faillissement van deze ondernemingen geen consequenties heeft voor de liquiditeit van EMIE, omdat de ondernemingen elk eigen geldstromen hadden en verantwoordelijk waren voor hun eigen schuld. Korte tijd daarop werd een andere gelieerde onderneming van EMIE failliet verklaard.

Kernbepalingen distributieovereenkomst: onverwijlde opzegging

In april 2018 schrijft de advocaat van Eastman EMIE aan met de mededeling dat zij de bestaande distributieovereenkomst per direct wenst op te zeggen. Daarbij wordt een beroep gedaan op art. 15 lid 4 van de distributieovereenkomst, welke luidt:

“4) This Distribution Agreement may be terminated for good cause with immediate effect by

either Party if circumstances arise that, considering the nature and purpose of this Distribution

Agreement, the circumstances of the relationship and the interests of both parties, make the

continuation of this Distribution Agreement unacceptable for a Party.”

Vordering tot nakoming overeenkomst

EMIE laat weten dat zij het met deze opzegging niet eens is en houdt Eastman aansprakelijk voor nakoming van de overeenkomst. Zij wijst daarop op art. 15 lid 1 van de distributieovereenkomst, welke luidt dat de distributieovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van één jaar plus een maand extra voor elk jaar dat de distributieovereenkomst heeft voortgeduurd. Eastman stelt zich daarentegen op het standpunt dat direct opzegging mogelijk is op grond van art. 15 lid 4 van de distributieovereenkomst, onder meer omdat het vertrouwen in een succesvolle verdere samenwerking verdwenen is. Op grond daarvan is Eastman van mening dat er sprake is van een ‘good cause’ (dringende reden) in de zin van art. 15 lid 4.

Hoger beroepsprocedure: gebrek aan vertrouwen voldoende voor opzegging?

In de hoger beroepsprocedure bij het hof ligt de vraag voor of Eastman zich in redelijkheid kan beroepen op art. 15 lid 4 van de distributieovereenkomst en de overeenkomst per direct kan opzeggen. Het hof toetst daarbij niet enkel op de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar ook of de overige omstandigheden van het geval maken dat directe opzegging gerechtvaardigd is. Eastman beroept zich daarbij op het feit dat er sprake is van een vertrouwensbreuk, zodat voortzetting van de distributieovereenkomst niet langer mogelijk is. Essentie daarbij is dat EMIE Eastman onvoldoende openheid geeft over haar liquiditeitspositie en dat het gebrek aan inzichtelijkheid van de geldstromen binnen de ondernemingen van EMIE maken dat er een gebrek aan vertrouwen is. Het hof volgt Eastman echter niet in deze stelling, omdat blijkens de processtukken Eastman reeds lange tijd op de hoogte was van de hoofdelijke aansprakelijkheid van EMIE jegens haar schuldeisers. Zo heeft Eastman in september 2016 toestemming verleend aan EMIE tot het sluiten van een Commercial Finance Contract zodat EMIE en de aan haar gelieerde ondernemingen extra krediet konden werven van de ABN Amro.

Geen dringende reden voor opzegging

Voorts stelt Eastman zich op het standpunt dat EMIE in strijd zou hebben gehandeld met de afspraken uit voornoemde CFO, maar dit standpunt wordt door EMIE uitvoerig betwist. Voor zover EMIE onvoldoende openheid zou hebben betracht omtrent haar liquiditeitspositie, is het hof van oordeel dat EMIE onvoldoende redenen heeft aangevoerd die deze handelwijze rechtvaardigen. Dit alsmede de overige omstandigheden zijn volgens het hof echter onvoldoende om te spreken van ‘dringende redenen’ in de zin van art. 15 lid 4 van de distributieovereenkomst.