Vordering tot straat- en contactverbod wegens burenruzie

In een recente procedure bij de Rechtbank Limburg staan twee bewoners van een appartementencomplex tegenover elkaar. De een woont op de eerste verdieping van het appartementencomplex, de ander bewoont het appartement er onder. Soepel loopt het bepaald niet tussen deze twee bewoners. Nadat de een al eerder veroordeeld werd voor onder meer bedreiging van de ‘buurman’, stond er onlangs opnieuw een kort geding op de rol. Onze advocaat verbintenissenrecht bespreekt deze zaak.

Herhaalde aanvaringen

In 2017 ontmoetten de ‘buren’ elkaar al in de rechtbank. Het leverde de gedaagde een straf op wegens bedreiging, een delict waartegen de man overigens in hoger beroep ging. Wie denkt dat daarmee de kous af was en de rust wederkeerde in het appartementencomplex, kwam echter bedrogen uit. Want de overlast bleef, zo stelde de eiser in de rechtszaal.

Onrechtmatige handelingen?

Gezien de verstoorde verhouding tussen de buren start eiser een kort geding in en vorderde een straat- en contactverbod tegen gedaagde. De eisen logen er bepaald niet om. Zo wilde hij dat de eerder veroordeelde buurman ophoudt met onrechtmatige handelingen als onder meer bedreiging, mishandeling. Ter onderbouwing van deze vordering verzocht hij de rechter gedaagde te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 500 euro per overtreding met een maximum van 50.000 euro.

Straatverbod in kort geding?

Verder wilde de eiser op last van een dwangsom van dezelfde hoogte een straatverbod afdwingen. Daarbij moest de minimale afstand tussen de kemphanen tenminste vijf meter zijn en wenste de eiser dat de muziekinstallatie van de buurman tussen 22.00 uur en 09.00 uur niet voor geluidsoverlast zou zorgen. Reden voor deze spoedeisende voorziening in kort geding is onder meer het feit dat eiser fysieke en lichamelijke klachten ondervindt van de situatie. Om die reden zoekt hij al een andere woning, een zoektocht die nog geen resultaat opleverde.

Overdreven, onwaar en onjuist

Ook gedaagde geeft in de procedure aan andere woonruimte te zoeken, maar dit heeft volgens hem niets met de buurman te maken. Gedaagde stelde dat er inderdaad sprake is van een verstoorde verhouding, maar volgens hem hebben beide partijen daar schuld aan. Dit wordt bevestigd door een andere bewoner van het complex, die dit ook schriftelijk verklaarde. Voorts noemde gedaagde de nieuwe aantijgingen van zijn buurman overdreven, onwaar en onjuist. Gedaagde stelde verder dat er voor de beschuldigingen geen bewijs is en dat eiser dus zijn eigen aandeel in de ontstane situatie gemakshalve vergeet.

Proceskosten voor eiser

De rechter komt tot de slotsom dat de vorderingen van eiser niet voor toewijzing vatbaar zijn. Volgens de rechter is vast komen te staan dat eiser inderdaad meermalen de politie belde vanwege overlast, maar eenmaal ter plaatse kon de politie geen overlast waarnemen. Ook de stichting die eigenaar is van het complex is niets bekend van overlast. De rechter stelde dan ook dat het doen van aangifte of het melden van overlast alleen en zonder bewijsmateriaal onvoldoende is om de gedaagde een straf op te leggen. En omdat het een kort geding betrof, oordeelde de rechter dat het -gelet op het karakter van een kort gedingprocedure- niet mogelijk is nadere bewijsstukken in te brengen. Daarvoor is immers de bodemprocedure bedoeld. Kortom; eiser trok aan het kortste eind en zal ook de proceskosten van het kort geding voor zijn rekening moeten nemen.