Verzoek om wijziging van het ouderlijk gezag afgewezen

Wanneer beide ouders niet in staat zijn om voor een kind te zorgen, kan een gecertificeerde instelling (GI) een verzoek tot uithuisplaatsing indienen bij de rechtbank. Het kind woont dan niet langer meer bij de ouders, maar bij een pleeggezin. Soms zijn dat familieleden, maar dat kan ook een pleeggezin zijn dat is aangesloten bij een pleegzorginstelling. Wanneer een GI een verzoek tot uithuisplaatsing indient, illustreert onze advocaat personen- en familierecht aan de hand van een recente uitspraak.

Voorwaarden voor uithuisplaatsing

Uithuisplaatsing gebeurt altijd voor de periode van één jaar. Dat gebeurt door middel van een machtiging van de rechtbank. Soms zijn de thuisproblemen slechts tijdelijk en kan het kind na afloop van het jaar weer thuis komen te wonen. Maar het komt regelmatig voor dat de thuissituatie er niet beter op wordt, bijvoorbeeld omdat ouders continue ruzie maken. Het kind kan daardoor ernstig in zijn ontwikkeling worden aangetast. In die situaties kan een uithuisplaatsing in het belang van het kind zijn.

Relevante omstandigheden

In de recente procedure waar het hier om draaide ging het om het volgende. Een minderjarig staat sinds eind december 2017 onder toezicht van de GI.  Door de slechts gezinssituatie dreigde hij ernstig in zijn ontwikkeling te worden aangetast, waarop de GI een verzoek tot uithuisplaatsing bij de rechtbank indiende. De GI verbond aan de uithuisplaatsing een aantal voorwaarden waar de moeder aan moest voldoen, waaronder het uitvoeren van een persoonlijkheidstest.  Als zij aan alle voorwaarden zou voldoen, zou  het kind weer thuis worden geplaatst. Gedurende de tijd toonde de moeder aan al goede stappen te hebben gezet in de goede richting. Als laatste zou een persoonlijkheidstest moeten uitwijzen of de moeder voldoende stabiel en psychisch beschikbaar is.

Hulpverleningstraject als alternatief?

In deze situatie was de moeder echter tot op heden onvoldoende in staat om de zorg over het kind te dragen. Het kind was gedurende zijn jeugd meerdere malen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Daardoor kon hij lange tijd niet opgroeien in een stabiele en veilige leefomgeving. Ook nadat de relatie tussen de ouders was geëindigd, lukte het de moeder niet om de juiste keuzes voor hem te maken. Ook slaagde zij er niet in hem een stabiel en veilig opvoedklimaat te bieden. Dat komt mede omdat zij zelf ook belast is geweest in haar jeugd: zij heeft te kampen met persoonlijke problematiek en trauma’s . Een hulpverleningstraject als alternatief heeft onvoldoende verbetering in de gezinssituatie gebracht.

Wettelijk kader voor uithuisplaatsing

Het hof oordeelt dat de rechter onder de volgende omstandigheden een machtiging tot uithuisplaatsing kan bevelen:

“Art. 1:265b lid 1: De rechter kan de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid; en

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.”

Verlening duur uithuisplaatsing

Het hof overweegt dat de moeder, ondanks dat zij liefdevol is in de zorg en opvoeding, nog onvoldoende heeft kunnen aantonen het kind een stabiele en veilige omgeving te kunnen bieden. Ook hebben zich in september en oktober jl. zorgelijke incidenten met de ex-partners van de moeder voorgedaan en dat er nog veel stress aanwezig is in het leven van de moeder. Gelet daarop overweegt het hof dat het in verband met het moeder-kindtraject noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet.

Categorie