Partijverklaring levert onvoldoende bewijs op: rechtbank wijst vordering af

In een gerechtelijke procedure geldt het uitgangspunt dat partijen bewijs op alle mogelijke manieren kunnen leveren (art. 152 lid 1 Rv). Een uitzondering op deze regel is die van de partijverklaring: dit is de verklaring van een partij die zelf als getuige in de procedure wordt gehoord. Daarvan bepaalt de wet dat deze beperkte bewijskracht heeft en slechts kan dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs. Wel geldt deze beperkte bewijskracht slechts voor de partij die het bewijsrisico draagt: heeft de partij dit bewijsrisico niet, dan geldt de uitzondering op de bewijskracht niet en geldt de partijverklaring als volledig bewijs. Hoe gaat de rechtbank in de praktijk om met partijgetuigenverklaringen? Onze advocaat verbintenissenrecht illustreert dit aan de hand van een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland.

Bewijskracht partijverklaring: voldoende geloofwaardig

Voor de bewijskracht van een partijverklaring an sich heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een arrest van 23 september 2014 een nadere overweging gegeven: daarin bepaalde het hof dat een partijverklaring enkel tot voordeel van de met de bewijslast belaste partij kan strekken als deze sterk is en zulke essentiële punten bevat dat het de verklaring voldoende geloofwaardig maakt.

Procedure: verkoop paard

In een recente procedure bij de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:5188) ging het om de verkoop van een paard. De koper (eiser) had een overeenkomst gesloten waarin de verkoper onder meer verklaarde dat het paard geschikt was om op te rijden. Al kort na de aankoop bleek dat het paard diverse mankementen vertoonde en in elk geval niet geschikt was voor races. Het paard zou leiden aan milde spinale ataxie en aan neurogeen letsel. Dit alles bleek uit een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Bewijslevering door partijverklaring

De koper sprak daarop de verkoper aan. In het kader van bewijslevering bood de koper aan zichzelf als getuige te horen in de procedure. Dat betrof aldus een partijverklaring. In de getuigenverklaring bracht de koper onder meer naar voren:

Despacito is vanaf het begin al zwak. Dat kunt u ook zien aan het filmpje dat ik u zo wil laten zien van de keer dat ik voor het eerst met hem in de bak rijd bij de wederpartij. Er was toen meteen al geen balans. Ik heb dat ook gezegd tegen de dame die mij begeleidde. Zij gaf aan dat het jongigheid was. Ik heb het paard toch gekocht omdat hij was goedgekeurd. Je kunt het aan zijn benen ook niet zien, het probleem zit in de hals. Hij loopt onregelmatig. Het paard is op 2 augustus naar mij gebracht en de eerste week heb ik niets met hem gedaan. In de 2e week had ik les en zei de trainster steeds tegen mij dat ik het paard recht moest houden (…)”

Contra-enquete

Als tegenbewijs bracht de verkoper drie getuigenverklaringen in. Deze verklaarden alle drie t.a.v. de staat van het paard verschillend, maar in de kern betrof het gedetailleerde informatie over de omstandigheden waaronder het paard was verkocht. Onder meer was afgesproken dat verkoop pas doorgang zou vinden als een dierenarts akkoord had gegeven – dat gebeurde uiteindelijk ook. Alle drie de getuigen bevestigden dat het paard niet ongeschikt was om te worden bereden. Eiser legde een aantal filmbeelden over op een USB-stick en bracht deze in het geding.

Rechtbank: partijverklaring onvoldoende voor bewijslevering

Resumerend achtte de rechter de partijverklaring van eiser alsmede de overgelegde filmbeelden van het paard onvoldoende bewijs om te concluderen dat het paard niet kon worden bereden. Daarnaast kwam dat de gedaagde partij in een contra-enquête de filmbeelden had weerlegd – uit niets bleek dat het paard niet zou beantwoorden aan de overeenkomst – en dat eiser bovendien n.a.v. de goedkeuring van de dierenarts had besloten om tot aankoop van het paard over te gaan. In dat kader had bovendien meer van hem mogen worden verlangd in het kader van een eventuele onderzoeksplicht. In deze procedure slaagde eiser er dus niet in door middel van de partijverklaring bewijs te leveren ter onderbouwing van de stelling dat het paard niet de eigenschappen bezit die hij op basis van de koopovereenkomst mocht verwachten.