Behoeftigheid partneralimentatie op basis van de hofnorm

Als echtgenoten uit elkaar gaan, dan kan de plicht ontstaan dat de meest draagkrachtige echtgenoot aan de ander partneralimentatie betaalt. Dit volgt primair uit lotsverbondenheid. Bij de vraag óf de echtgenoot aanspraak kan maken op partneralimentatie moet daarnaast gekeken worden naar de behoeftigheid. Aan de hand van een recent arrest zet onze advocaat personen- en familierecht uiteen hoe deze behoeftigheid globaal wordt berekend.

Berekening partneralimentatie aan de hand van de hofnorm

De behoefte van een echtgenoot in het kader van partneralimentatie wordt primair berekend op basis van de hofnorm. Deze hofnorm houdt in dat de behoefte van de echtgenoot wordt gelijkgesteld aan 60% van het Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) dat partijen te besteden hadden toen zij nog samenleefden. Het NBI is globaal genomen het jaarlijks bruto inkomen, verminderd met afgedragen premies en belastingen.

Behoeftigheid op basis van de bijstandsnorm

In een recente procedure had een ex-echtgenote (verzoekster), nagelaten om in de procedure een overzicht te overleggen waaruit haar kosten bleken. Op basis daarvan kon de rechtbank de behoefte niet vaststellen en had daarom de behoefte van de vrouw vastgesteld op basis van de voor haar geldende bijstandsnorm, zijnde €1.026,-.

Hoger beroep: specificaties

In hoger beroep meende zij dat haar kosten (veel) hoger lagen dan dit en dat haar behoeftigheid zodoende moest worden aangepast. Zij legde daarvoor in hoger beroep een kostenoverzicht over, waaruit bleek dat haar behoefte nagenoeg overeenkwam met de op hun van toepassing zijnde hofnorm. Dit bedrag was vastgesteld op €1.590,-. Weliswaar hadden partijen schulden gemaakt, maar dit staat aan toepassing van de hofnorm niet in de weg daar zij voor de helft van deze schulden aansprakelijk is.

Kostenoverzicht voor vaststelling behoeftigheid

Het hof betrok bij de behoeftigheid van de ex-echtgenote de volgende, door haar overgelegde kosten:

  1. Vervoerskosten ad. €204,-; in dit kader had zij toegelicht dat zij een auto nodig heeft voor werk en hiervan oordeelde het hof dat de hoogte van de kosten hiervan niet onredelijk waren.
  2. Telefoonkosten ad. €81,-; de echtgenote had echter twee telefoonabonnementen; nu zij niet nader had toegelicht waarom het noodzakelijk was om meer dan één abonnement te hebben, ronde het hof dit bedrag voor de helft af naar beneden.
  3. Partijen gingen volgens de echtgenote meerdere malen per jaar op vakantie. Dit werd door de echtgenoot echter betwist, zodat de door de echtgenote opgevoerde kosten voor vakantie en ontspanning met €75,- per maand werden verlaagd.
  4. In het kader van kosten voor eten en onderhoud voerde de echtgenoot aan dat de echtgenote bij haar ouders at en daardoor geen kosten had. Het hof passeerde deze stelling daar deze kosten hoe dan ook tot de eerste levensbehoeften horen en deze kosten waar dan ook worden gemaakt. Het bedrag hiervan stelde het hof vast op €200,- per maand.
  5. Verder hield het hof rekening met een bedrag van €100,- per maand aan aflossing op schulden.
  6. Voor het overige achtte het hof de kosten voor kleding, TV en internet alsmede ziektekosten nite onredelijk en betrok deze ook in de behoeftigheid.

Huurtoeslag en zorgtoeslag

Op basis van de door de echtgenote aangevoerde posten stelde het hof de behoeftigheid vast op €1.537,- per maand. Dit was aldus significant hoger dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Omdat zij huurtoeslag en zorgtoeslag van in totaal €305,- per maand ontving, kwam dit in mindering op de behoeftigheid. Daardoor stelde het hof vast dat de vraag moest worden beantwoord op de echtgenote zelfstandig een inkomen van €1.232,- per maand kon genereren.

Voldoende mogelijkheden om zelfstandig inkomen te genereren?

Partijen verschilden over en weer van mening over de vraag of de echtgenote in staat was om in elk geval 24 uur per week te werken. Dit was volgens de echtgenoot wel het geval: zij zou volgens hem zelfs in staat zijn om fulltime te werken. Het hof stelde vast dat dit echter ter zake niet relevant was, daar de echtgenote ook bij een parttime dienstverband in staat was om een inkomen van €1.232,- per maand te genereren. De bij het verzoekschrift overgelegde salarisspecificaties sloten daar bovendien bij aan. Gelet daarop stelde het hof vast dat de echtgenote in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en zodoende werd het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie afgewezen.

 

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

1000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Woensdag inloopspreekuur