Gevolmachtigde aansprakelijk voor het vervalsen van handtekeningen

Een civiele procedure draait om waarheidsvinding. Partijen mogen daarom geen belangrijke feiten verdraaien of verzwijgen. Toch gebeurt dit met enige regelmaat. Komt een partij erachter dat zijn procespartij bedrog heeft gepleegd, kan de rechtbank een uitspraak onder voorwaarden herroepen. Een recente trend is echter art. 21 Rv: de rechter die vermoedt dat een partij ernstig aan het liegen is, kan daarmee nul op het rekest krijgen. Onze advocaat procesrecht illustreert dit nader.

Waarheidsplicht: praktijkvoorbeelden

Recent werd al geschreven over drie procedures waarin dit aan de orde kwam. Één daarvan ging om een incassobureau die een zeer ongeloofwaardige vordering op een partij had. De overeenkomst bij de dagvaarding ontbrak en door het incassobureau werd enkel verwezen naar weinig zeggende factuurnummers. Bij een andere procedure ging het om een kort gedingkwestie. De eisende partij gaf aan een spoedeisend belang te hebben en droeg daarvoor een aantal feiten en omstandigheden aan. Die bleken echter achteraf niet te kloppen, zodat het spoedeisende karakter kwam te vervallen: dat leidde tot een niet-ontvankelijkverklaring met alle gevolgen van dien. Tot slot betrof een laatste kwestie het opheffen van bewijsbeslag. Degene die bewijsbeslag had gelegd, had tevens een aantal feiten verdraaid. De rechter kon niet anders dan op de voet van art. 21 Rv daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden achtte. In dit geval resulteerde dat in een opheffing.

Volmacht

In deze rij past een procedure die onlangs speelde bij de rechtbank Limburg. Eiser in de procedure, A, had in 2017 de leeftijd van 90 bereikt. Omdat hij zijn zaken niet meer goed kon behartigen verleende hij een volmacht aan partij B, die inhield dat zij A mocht en kon vertegenwoordigen. Omdat A zeer vermogend was, resulteerde dat in een (vermoedelijke) verduistering van gelden over een bedrag van ruim €195.000,- door B.

Valse handtekeningen

A stelde haar vervolgens aansprakelijk voor deze verduistering. Kern van de discussie was de ondertekening van de bankafschriften. Volgens A waren de handtekeningen hierop niet van hem afkomstig en zou B aldus beweerdelijk de handtekeningen hebben vervalst. Daarentegen gaf B aan dat A bewust en volledig bij zijn verstand de bankafschriften had ondertekend. Zij ontkende iedere vorm van verduistering en vervalsing.

Verduistering van gelden

Ter reactie op de dagvaarding stelde B een conclusie van antwoord op waarin zij alle vorderingen bestreed. Uit de bankafschriften bleek dat B gelden had opgenomen die niet (rechtstreeks) ten goede kwamen van A. Daarbij ging het om een aantal opmerkelijke transacties: zo omvatte een van de transacties een bedrag van €645,- voor een welness-behandeling van de dochter van B. Daarnaast werden diverse kosten gemaakt voor notariële werkzaamheden.

Nieuwe feiten en omstandigheden?

Het oordeel van de rechter in deze procedure viel in het nadeel van B uit. Tijdens de procedure had B telkens nieuwe feiten aangevoerd en kwam zij te laat met belangrijke en noodzakelijke verfeitelijkingen. Zo bleek uit de aard, inhoud en presentatie van feiten in de conclusie van antwoord dat veel van de uitgaven door B waren gedaan als investering in de woning van A. Een aanzienlijk deel van de uitgaven leek echter door B te zijn aangewend als verrijking van haarzelf. Bovendien bleek uit een deskundigenrapport dat de handtekeningen onder de bankafschriften inderdaad waren vervalst.

Schending waarheidsplicht

De rechtbank concludeerde dat B hierdoor ernstig in strijd had gehandeld met de in art. 21 neergelegde waarheidsplicht. Dat resulteerde erin dat het overgrote deel van de vordering van A door de rechtbank werd toegewezen. B diende een bedrag van ruim €170.000 aan A terug te betalen.

Categorie