Vorderingen tot rectificatie in kort geding afgewezen

De vrijheid van journalistiek is een van de belangrijkste (Europese) grondrechten. Soms kan dit botsen met het recht op privacy: dat geldt met name wanneer het gaat om ingrijpende nieuwsfeiten. Zo verscheen onlangs een artikel in Quote waarin werd ingegaan op integriteitskwesties in de politiek: een aantal Kamerleden zouden ‘dubbele petten’ op hebben en ‘schimmig zakendoen’. De media stond er de afgelopen maanden vol mee. Een van de bij het artikel betrokken Kamerleden was het niet eens met de inhoud en totstandkoming van het artikel en startte daarop een kort gedingprocedure. Een van die vorderingen luidde dat Quote een rectificatie zou plaatsen. Onze advocaat mediarecht bespreekt de procedure en legt uit hoe de rechter tot zijn oordeel is gekomen.

Publieke personen

In Nederland geldt het uitgangspunt dat publieke personen meer moeten dulden van hetgeen de media over hen schrijft. Dit komt omdat het handelen van een publiek persoon buiten diens functie ook de functie zelf kan raken. Daar zitten uiteraard ook grenzen aan, maar in de rechtspraak wordt dit over het algemeen (veel) hoger gesteld. In deze procedure ging het erom integriteitskwesties in de politiek aan de kaak te stellen. Voor zowel de Nederlandse samenleving als de politiek zelf is het belangrijk om van dergelijke nieuwsfeiten kennis te nemen, maar aan de beoordeling van de rechtmatigheid zijn uiteraard grenzen verbonden.

Artikel in Quote

In het desbetreffende artikel kopte Quote een artikel met de titel: “Geldeiser legt beslag op bedrijf VVD-senator”. In het artikel kwamen meerdere passages voor. Zo werd het Eerste Kamerlid, eiseres, er onder meer van beschuldigd door middel van een ingewikkelde keten van B.V.’s zaken te doen en dat ze binnen de politiek vaak sprak over de diensten die zij met haar bedrijven levert. Ook werd gesproken over een leverancier die een openstaande vordering op haar B.V.- Y- zou hebben ter hoogte van €900.000,-. Betalingstermijnen werden niet, of niet tijdig voldaan.

Verklaring voor recht

In de procedure bij de kort gedingrechter vordert eiseres een verklaring voor recht dat Quote onrechtmatig heeft gehandeld door het desbetreffende bericht te publiceren. Daarnaast vordert ze een verklaring voor recht dat het artikel van 15 maart 2019 op de dag van publicatie geen dan wel onvoldoende steun vond in de feiten. Ook vordert zij een rectificatie van het desbetreffende artikel in Quote. Ter toelichting op deze vordering stelt zij de titel van het artikel niet klopt, omdat de ‘geldeiser’ zoals die in het artikel wordt omschreven geen bekende schuldeiser van B.V. Y was.

Art. 10 EVRM: vrijheid van nieuwsuiting

De kort gedingrechter stelt allereerst voorop dat er in een kort gedingprocedure geen ruimte is voor een verklaring voor recht. Dat komt omdat een verklaring voor recht een zogenoemd ‘constitutief’ ofwel definitief karakter kent terwijl een kort geding juist is bedoeld als tijdelijke rechtsmaatregel. Deze vorderingen worden zonder nadere inhoudelijke beoordeling afgewezen. Ten aanzien van de rectificatie oordeelt de rechter dat dit slechts kan worden toegewezen als wordt voldaan aan art. 10 lid 1 EVRM. In dit artikel is het recht op vrijheid van meningsuiting, nieuwsgaring en persvrijheid neergelegd en vormt aldus de belangrijkste wettelijke bepaling binnen de journalistieke wereld. Een inperking van dat recht mag slechts plaatsvinden als -onder meer- de goede naam of rechten van anderen dreigen te worden geschaad.

Feitenmateriaal voldoende toereikend?

De kort gedingrechter stelt vast dat eiseres -zoals zij terecht stelt- door het artikel inderdaad in haar goede eer en naam is aangetast. Echter is de rechter van oordeel dat A, als Eerste Kamerlid, een publiek persoon is en aldus meer dient te dulden vanuit de media. Ondanks dat eiseres aangeeft dat het artikel onvoldoende steun vindt in het feitenmateriaal, is de rechter een andere mening toegedaan: de titel en het artikel kloppen wel degelijk, want op enig moment in het verleden werd door een schuldeiser ter hoogte van een bedrag van €900.000,- beslag gelegd op B.V. Y. Dat die inmiddels van rechtswege was komen te vervallen, maakt in dit verband niet uit. Ook ten aanzien van de overige feiten oordeelt de rechter dat dit onvoldoende is om de vordering tot rectificatie toe te wijzen. De vorderingen van eiseres worden aldus afgewezen.

Categorie

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

1000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Woensdag inloopspreekuur