Vordering tot nakoming geldleningsovereenkomst: opeisingsbeding nietig?

In een recente procedure spreekt een onderneming, nadat die een vordering gecedeerd heeft gekregen van een bank, een particuliere schuldenaar aan tot nakoming van een geldleningsovereenkomst. Die stelt zich daarentegen op het standpunt geen geldleningsovereenkomst te hebben aangegaan en dat zij zodoende niet gehouden is tot betaling. De onderneming betrekt de schuldenaar daarop in rechte en vordert nakoming. Onze advocaat verbintenissenrecht bespreekt deze zaak.

Cessie en opeisbaarheid vordering

De feiten: de onderneming, A, heeft op 11 oktober 2014 een vordering op de schuldenaar, B, gecedeerd gekregen van een bank ten bedrage van (destijds) fl. 15.000. Die overeenkomst dateert van 28 juni 2001. B meent echter zich ‘niet meer te herinneringen’ dat hij deze geldleningsovereenkomst met de bank heeft gesloten en betwist de aan A gecedeerde geldvordering. Het bewijs van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst wordt relatief gecompliceerd voor A, omdat B in de tussentijd zijn voornaam officieel heeft laten wijzigen en zijn naam daardoor niet langer overeenkomt met zijn naam op de kredietovereenkomst.

Algemene voorwaarden kredietovereenkomst

In de algemene voorwaarden bij de overeenkomst van geldlening, waarvan B het bestaan betwist, is in art. 12 het volgende opgenomen:

ARTIKEL 12. Kredietnemer en de Bank komen voorts nadrukkelijk overeen, dat, indien

  1. Kredietnemer achterstallig is in de betaling van twee of meer vervallen termijnbedragen en, na ingebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledig nakoming van zijn verplichtingen

(…)

de Bank het op grond van de overeenkomst nog verschuldigde vermeerderd met de kredietvergoeding, terstond in zijn geheel kan opeisen, (…).

Betalingsregeling en erkenning rechtsgeldigheid

In de procedure bij het hof voert A aan dat B zich niet kan stellen op het standpunt dat er geen sprake is van een overeenkomst, want A heeft -met onderbouwing van bewijsstukken- herhaaldelijk verzocht om een betalingsregeling bij de schuldeiser en heeft bovendien de vordering bij brief van 2 december 2010 erkend. Ook geeft hij aan dat de kredietovereenkomst oorspronkelijk was gesloten tussen de bank die aan B krediet had verstrekt, maar dat B inmiddels zijn voornaam heeft laten wijzigen. A geeft aan daarvan zelfs getuigenbewijs te kunnen aanleveren.

Wet op het consumentenkrediet

In de hoger beroepsprocedure betwist B niet langer dat hij zijn voornaam heeft laten wijzigen en dat de overgelegde kredietovereenkomst inderdaad tussen hem en de bank gesloten was. Dit mag de schuldeiser evenwel niet baten, omdat vanaf 25 mei 2011 de nieuwe bepalingen inzake Wet op het consumentenkrediet (Wck) van toepassing is op de kredietovereenkomst. Het hof overweegt daartoe dat de vorderingen van A tot terugbetaling van het krediet dienen te worden afgewezen en onderbouwt zulks als volgt.

Nietig opeisingsbeding?

De bepaling uit art. 12 van de algemene voorwaarden, die A de bevoegdheid geeft het geleende bedrag in één keer op te eisen indien de schuldenaar twee maal een termijn niet heeft voldaan, is volgens het hof in strijd met het bepaalde in art. 33 Wet op het consumentenkrediet. De reden daarvoor is dat een opeisingsbeding op niet minder dan twee maanden mag worden gesteld. Ondanks dat A al langer dan twee maanden niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, kan de opeising door de schuldeiser niet worden gegrond op het nietige opeisingsbeding. Het gevolg daarvan is dat de ingestelde vorderingen worden afgewezen.