Onvoldoende zekerheid in kort geding dat NAM aansprakelijk is voor aardbevingsschade

Korte tijd geleden lanceerde de Rechtspraak een initiatief om aardbevingszaken door de rechtbank in Groningen te laten behandelen. Op die manier kunnen betrokkenen in de regio terecht bij de rechter van het eigen arrondissement. Inmiddels zijn er tal van claims ingediend en heeft de rechter zich meerdere malen mogen buigen over aansprakelijkheidskwesties in verband met aardbevingsschade. Zo ook recentelijk in een kort gedingprocedure, waarvan onze advocaat de uitkomst bespreekt.

Bodemdaling ten gevolge van gaswinning

De feiten: eiser in de procedure, A, is eigenaar van een boerderij met meerdere opstallen. Onder die opstallen bevindt zich een ligboxenstal, een jongveestal en een mestsilo. NAM, gedaagde in de procedure, produceert sinds 1963 gas uit het ‘Groningenveld’. De gaswinning veroorzaakt bodemdaling en aardbevingen in een omvangrijk gebied. A stelt door de gaswinning ernstige schade te hebben geleden en doet daarvoor medio 2013 een eerste schademelding bij NAM.  De schade betreft scheurvorming in en aan de woning en de inmiddels gesloopte jongveestal annex werktuigenopslag.

Schademelding: aansprakelijkheid?

Naar aanleiding van de schademelding conform het destijds vigerende schadeprotocol laat NAM een onderzoek instellen door Vloedgraven Expertise. Zij stelt een onderzoeksrapport op waaruit de conclusie volgt dat er sprake is van zogenoemde A- en B-schades. Deze classificering is gebaseerd op het door NAM gehanteerde schadeprotocol. A-schade is schade die een rechtstreeks gevolg is van aardbeving(-en) en B-schades betreft schade die reeds aanwezig was voor, maar verergerd is door aardbeving(en). Vloedgraven begroot de schade van A op € 73.000,00. NAM erkent haar aansprakelijkheid jegens A.

Rapporten en contra-expertises

Op 28 oktober 2013 vindt er een zware storm plaats in Nederland, waarbij het bedrijf van A schade oploopt. Als gevolg van de storm is een deel van de jongveestal annex werktuigenopslag ingestort. Vervolgens is door een tweede storm op 5 december 2013 additionele schade ontstaan. Toen NAM bekend werd met deze schade heeft zij NSTB ingeschakeld met het verzoek aanvullend onderzoek te verrichten naar de schade aan de woning. Vervolgens zijn diverse rapporten en tegenrapporten opgesteld, met elk eigen bevindingen en conclusies.

Causaal verband gegeven?

De verzekeraar van A doet naar aanleiding van de storm op 28 oktober 2013 en 5 december 2013 onderzoek naar de schade aan de ligboxenstal van A. In dat rapport komt Achmea tot de conclusie dat de causaliteit tussen de storm en bevingsschade niet is aan te geven. Zij hanteert een marge van 50% aan schade voor de werktuigenloods. In de daaropvolgende jaren wordt in opdracht van NAM door Archipunt, Grontmij en Texplor tevens een onderzoek verricht naar de schade aan de ligboxenstal van A. Uit die rapporten volgt -net als bij het onderzoeksrapport van Achmea- dat het causaal verband tussen de aangetroffen schade en de aardbevingen ontbreekt. Als tegenreactie geeft A opdracht aan Holland Innovation Team om onderzoek te doen naar de ligboxenstal, de woning, de schuren, de silo en de omgeving. In dat onderzoeksrapport komt HIT tot de conclusie dat er wel degelijk sprake is van een causaal verband tussen de opgetreden schade aan de opstallen en de aardbevingen.

Onrechtmatige handelen?

In de procedure bij de rechtbank vordert A een veroordeling van NAM tot betaling van ruim €3.100.000,-. Zij stelt daartoe -onder verwijzing van het rapport van HIT- dat NAM onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de door A opgelopen schade in verband met aardbevingen. A verwijst naar een uitspraak van dezelfde rechtbank waarin tevens werd geoordeeld over aardbevingsschade.

Bewijsvermoeden

Een centraal punt van geschil in de procedure is het bewijsvermoeden. Moet A immers stellen schade te hebben geleden en zo ja, op welke wijze kan NAM tegenbewijs leveren? De rechtbank heeft al in twee eerdere procedures beslist dat een in opdracht van NAM opgestelde rapportage onvoldoende (duidelijk) zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Wat hier verder van zij, de Voorzieningenrechter oordeelt dat het te ver reikt om het door HIT opgestelde onderzoeksrapport in verband met het ‘bewijsvermoeden’ voor waar aan te nemen. Zulks heeft tot gevolg dat uit dat rapport niet uit zichzelf kan worden geconcludeerd dat het causale verband gegeven is; het is immers niet voldoende duidelijk of de schade het directe gevolg is geweest van aardbevingen of ten gevolge van de stormen in 2013.

Deskundigenrapporten: nadere bewijsvoering vereist

NAM voert in de procedure nog aan dat het feitencomplex te technisch en/of feitelijk ingewikkeld is om te worden behandeld in kort geding. De rechter passeert dit verweer met als achterliggende reden dat het in de procedure enkel draait om de vraag of NAM aansprakelijk is voor de door A geleden aardbevingsschade. Niet meer en niet minder. De grote hoeveelheid overgelegde deskundigenrapporten maken dit niet anders. Wel komt de rechter tot de conclusie dat partijen, vanwege het karakter van het kort gedingprocedure, niet in de gelegenheid kunnen worden gesteld nadere bewijsvoering te leveren. Omdat op basis van de overgelegde deskundigenrapporten onvoldoende duidelijk blijkt of NAM jegens A aansprakelijk is, wordt A in het ongelijk gesteld. Uit de bodemprocedure zal moeten blijken of A vooralsnog de geleden schade op NAM kan verhalen.

Categorie

Waarom ons

Gratis kennismakingsgesprek

1000+ zaken behandeld

Flexibel én voordelig

Ook pro-deo

30+ jaar ervaring

Woensdag inloopspreekuur