Wanneer is er sprake van een duurovereenkomst of een serie losse overeenkomsten?

Tussen partijen was een geschil aanhangig waarbij de wederpartij zonder kennelijk redelijke grond de bestaande duurovereenkomst tussen partijen had opgezegd. Daarbij had zij geen redelijke opzegtermijn in acht genomen. Partij X vordert een verklaring voor recht dat de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid de duurovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd. Onze advocaat verbintenissenrecht bespreekt deze uitspraak en legt uit wanneer er sprake is van een duurovereenkomst of van een serie losse overeenkomsten.

Duurovereenkomst en raamovereenkomst

De feiten in de zaak waren als volgt. Eiseres is een groothandel in bloemen en planten en levert aan bloemisten in Nederland en België. Gedaagde is eveneens een groothandel in bloemen en planten. Gedaagde had op 1 juli 2017 de activa van haar onderneming overgedragen en de dag daarna per onmiddellijke ingang de overeenkomst tussen partijen opgezegd.

Opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid?

De rechtbank oordeelt dat er in de onderhavige situatie sprake is van een raamovereenkomst. Een raamovereenkomst kan als duurovereenkomst worden benoemd als er sprake is van afzonderlijke en aflopende verbintenisscheppende overeenkomsten. De duurovereenkomst behoeft niet op schrift te worden gesteld. Ook is niet vereist dat partijen expliciet met zoveel woorden een duurovereenkomst sluiten. Het Hof Den Bosch oordeelde namelijk vorig jaar al dat het bestaan van de duurovereenkomst ook kan blijken uit het gedrag van partijen over een langere periode, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

Duurovereenkomst of losse contracten

Voor de vraag of er sprake is van een serie losse contracten of van een duurovereenkomst, zijn volgens de rechtbank alle relevante feiten en omstandigheden van belang. Dit kunnen onder meer zijn: de duur van de relatie, de exclusiviteit van de samenwerking, jaarlijkse prijsonderhandelingen en de afspraak tot het gebruik van dezelfde standaardovereenkomst.

Haviltex-criterium als uitgangspunt

De rechtbank gebruikt vervolgens het Haviltex criterium om de vraag te beantwoorden of partijen in de gegeven omstandigheden ten doel hadden om een duurovereenkomst aan te gaan. Eiseres voert in dit kader aan dat zij al vanaf 2008 bezig was om een automatiseringssysteem te implementeren bij gedaagde. Op deze manier zouden de systemen tussen eiseren en gedaagde naadloos op elkaar aansluiten. Ook had eiseres geïnvesteerd in het transport van bloemen van haar vestiging naar die van gedaagde.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank ondersteunde de stelling van eiseres. Zij kwam tot dat oordeel aangezien partijen een langdurige handelsrelatie vanaf omstreeks 2008 hadden gehad. Ook het feit dat gedaagde een automatiseringstraject had geïmplementeerd droeg bij aan het oordeel dat partijen de intentie hadden een langdurige samenwerking aan te gaan. Dat gedaagde zelf voor deze implementatie diende te betalen, maakte dit volgens de rechtbank niet anders. De rechtbank was van oordeel dat er inderdaad sprake was van een duurovereenkomst.

Opzegbaar?

De volgende vraag die de rechtbank beantwoordt, is wanneer een duurovereenkomst voor onbepaalde  tijd opzegbaar is. Dit wordt volgens de rechtbank primair beoordeeld aan de hand van de inhoud van de overeenkomst en de eventueel wettelijke bepalingen. Als de overeenkomst niets zegt, dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. Uit de bedoeling van partijen kan zelfs voortvloeien dat een overeenkomst in zijn geheel niet opzegbaar is.

Overdracht van onderneming

Eiseres betwistte niet dat een duurovereenkomst opzegbaar is als de onderneming wordt overgedragen. Zij vond het echter niet toelaatbaar dat de wederpartij de overeenkomst direct, dus zonder opzegtermijn, zou opzeggen.  Gedaagde stelt daarentegen dat zij niet gehouden was een opzegtermijn te hanteren omdat ze vreesde voor represailles van eiseres. De reden hiervoor was dat er sprake was van een bekoelde houding tussen partijen en dat zij haar machtspositie zou misbruiken door bijvoorbeeld hogere prijzen te gaan doorberekenen.

Geen eigenrichting

De rechter was van mening dat gedaagde partij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een gegronde vrees voor represailles bestond. Zou zulks wel het geval zijn, dan zou het in de weg van gedaagde partij hebben gelegen om de gang naar de rechter te maken. De rechter is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht dat gedaagde partij uit een soort van eigenrichting de overeenkomst heeft opgezegd zonder (wettelijke) opzegtermijn.

Opzegtermijn: redelijkheid en billijkheid

In de gegeven omstandigheden brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee, dat een partij er in het algemeen op mag vertrouwen dat haar wederpartij een redelijke opzegtermijn zal bieden. De reden hiervoor is dat de opgezegde partij een relatief groot belang heeft bij een dergelijke termijn en de opzeggende partij een relatief gering belang heeft om geen opzegtermijn in acht te nemen.

Toerekenbare tekortkoming

Doordat de gedaagde partij geen opzegtermijn in acht heeft genomen, is de partij volgens de rechter toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Gelet hierop is de gedaagde partij verplicht de schade die eiseres heeft geleden, te vergoeden. Op grond van de redelijkheid en billijkheid was echter niet duidelijk welke opzegtermijn in acht moest worden genomen. De rechter oordeelde dat de duur van de opzegtermijn in een schadestaatprocedure aan de orde zou worden gesteld. Zij stelde dus vast dat de gedaagde partij aansprakelijk was voor de geleden schade, en dat de schade vervolgens in een aparte procedure zou worden begroot.

Bel mij terug