De ontnemingsmaatregel in kort bestek

Ingeval van een strafrechtelijke veroordeling kan de rechter bepalen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een illegale activiteit dient te worden betaald aan de Staat. In dit artikel zal kort worden ingegaan op wat een ontnemingsmaatregel precies inhoudt en onder welke voorwaarden een ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd. Daarbij zal zoveel mogelijk worden stilgestaan bij de nieuwe Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.

In de Richtlijn voor strafvordering bij ontneming, reeds daterend uit 1998, staat omschreven dat de ontnemingsmaatregel in een gerechtelijk vonnis dient te zijn vastgelegd en onherroepelijk is geworden, waarna vervolgens het Centraal Justitieel Incassobureau over zal gaan tot de incassering van het bedrag. In de uitleg de richtlijn behorende bij art. 36e lid 1 jo. lid 2 Wetboek van Strafrecht staat dat er voldoende bewijsmiddelen voorhanden moeten zijn op basis waarvan de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd.

Bij meerdere delicten zal er per afzonderlijk delict een aparte berekening gemaakt worden van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De soorten voordelen die genoten kunnen worden zijn onder meer (onrechtmatig) verkregen voorwerpen, beloningen en opbrengsten die verband houden met het delict. Bij een juiste berekening zal de veroordeelde in eerste instantie worden teruggebracht in de situatie die zou hebben bestaan als hij het strafbare feit niet zou hebben voltooid. De Richtlijn gaat er hierbij vanuit dat kosten die zijn gemaakt in de periode voorafgaand aan het strafbare feit, niet zullen worden meegerekend in de berekening van het verkregen voordeel. Daarentegen kunnen kosten die wel in directe relatie staan tot het verkregen voordeel wel een rol spelen bij de definitieve berekening.

Ten aanzien van het totale bedrag kunnen bepaalde kosten in aftrek worden gebracht. Dit zijn in elk geval niet de investeringen voor duurzame activa, gebruikt voor het strafbaar feit; deze komen niet voor aftrek in aanmerking. Ook proceskosten en in rechte toegewezen vorderingen komen in aftrek op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierna zal worden ingegaan op de mogelijkheden die de officier van justitie heeft om vermogen te kunnen verhalen op de verdachte.

Conversatoir beslag

Indien blijkt dat de veroordeelde over ander vermogen beschikt dan hij reeds uit de illegale activiteiten heeft verkregen, zal het Openbaar Ministerie mogelijk conservatoir beslag leggen in verband met de ontnemingsmaatregel. Soms blijkt namelijk dat de verdachte of geen vermogen heeft, of tracht het vermogen elders onder te brengen. Aangezien dit een ingrijpend middel is, is  dit alleen mogelijk bij verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (art. 94a lid 2 Sv).

In de praktijk houdt dit in dat er al beslag wordt gelegd voordat er daadwerkelijk een ontnemingsmaatregel door de rechter is opgelegd: dit is om te voorkomen dat vermogen wordt weggesluisd. Het beslag kan in beginsel worden gelegd op alle zaken van vermogensrechten van de betrokken persoon. Al in 1994 heeft het EHRM uitgemaakt dat deze handelswijze geen schending oplevert van art. 1 Eerste protocol EVRM. (EHRM 22 februari 1994, NJ 1995/166).

Ook levert dit geen ‘penalty’ op in de zin van art. 7 lid 1 EVRM of art. 15 lid 1 BuPo-verdrag); de ontnemingsmaatregel zelf is wel een ‘penalty’. Op basis van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming heeft de wetgever ervoor gezorgd dat een eventuele discrepantie tussen het door de rechter opgelegde ontnemingsbedrag en het daadwerkelijke vermogen van de betrokken persoon wordt opgeheven. In tegenstelling tot hetgeen bij de ontnemingsmaatregel zelf van belang is, is voor het beslag niet vereist dat de betreffende voorwerpen al dan niet zijn verkregen uit de illegale activiteiten.

Met andere woorden, de voorwerpen behoeven niet meer middellijk of onmiddellijk van een strafbaar feit afkomstig te zijn. De enige uitzondering voor het conservatoir derdenbeslag is het beslag op onroerende zaken. Het tegengaan van schijnconstructies zijn zodoende niet van toepassing op onroerende zaken.

Conservatoir beslag: bepaling hoogte

Indien er op grond van art. 94a Sv conservatoir beslag is gelegd is de OvJ niet gebonden aan de schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris die van tevoren een bepaald maximumbedrag heeft vastgesteld. De officier van justitie mag om die reden ook voor een hoger bedrag beslag leggen, maar enkel mits hiervoor voldoende gronden aanwezig zijn.

Beklag tegen beslagneming

De verdachte heeft de mogelijkheid om tegen de oplegging van het conservatoir beslag in beklag te gaan bij de rechter-commissaris. Die toetst vervolgens of het conservatoir beslag op juiste gronden heeft plaatsgevonden. De maatstaf die hierbij wordt gehanteerd is de vraag of de rechter bij een eventuele veroordeling tot dezelfde bedrag aan ontneming zou komen of dat de verdachte, bij een terugbetaling wegens wederrechtelijk verkregen voordeel, tenminste tot diezelfde hoogte zou komen.

Actio pauliana

In het burgerlijk recht bestaat de mogelijkheid dat een rechtshandeling ongedaan te maken, wanneer schuldeisers bij een faillissement dreigen te worden benadeeld. Ook de officier van justitie heeft een dergelijke bevoegdheid ten aanzien van rechtshandelingen die de verdachte heeft verricht met de kennelijke intentie om zijn vermogen aan het verhaalsrecht van de OvJ te onttrekken. Al is dit louter technisch gezien een civielrechtelijke handeling, kan deze toch worden ingezet met het oog op de strafzaak en terugbetaling van het bedrag verkregen uit de illegale activiteit.

Transactie en schikking

Door middel van een transactie kan de officier van justitie de mogelijkheid bieden om een bedrag te betalen die is gebaseerd op het wederrechtelijk verkregen voordeel. In de regel zal dit bedrag lager zijn dan in de hoofdzaak, immers om zo een stimulans te geven om akkoord te gaan met het voorstel indien de verdachte willens en wetens zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Door het transactievoorstel wordt schuld bekend en zal er een aantekening worden gemaakt in het strafregister. Indien de verdachte het niet eens met het transactievoorstel zal de officier van justitie de zaak voor de rechter brengen.

Verbeurdverklaring

Sommige voorwerpen die de verdachte heeft kunnen worden verbeurd verklaard. Het gaat daarbij niet meer alleen om voorwerpen die via het strafbare feit zijn verkregen. Verbeurdverklaarde voorwerpen kunnen in mindering worden gebracht op het totaalbedrag van de ontnemingsmaatregel; er is immers geen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter zal tevens bij de verbeurdverklaring van voorwerpen rekening moeten houden met de hoogte van de ontnemingsmaatregel om te voorkomen dat de verdachte onevenredig zwaar wordt getroffen.

Strekking: geen straf doch maatregel

De ontnemingsmaatregel wordt naar Nederlands recht gezien als een maatregel en geen straf. Hierdoor wordt voorkomen dat er zogenaamd sprake zou zijn van een dubbele bestrafing. De ontnemingsprocedure dient voornamelijk de financiële situatie van de verdachte te herstellen en staat in het teken van het onderzoeken van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Kwesties als bewijs, wederrechtelijkheid en dergelijke moeten dan ook worden vastgesteld in de hoofdzaak. Dit betekent tevens dat de ontnemingsmaatregel moet worden gezien als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM; dit levert geen schending op van het ne-bis-in-idem beginsel, nu deze onlosmakelijk met de hoofdzaak verbonden is. Tevens levert de ontnemingsmaatregel geen strijd op met de onschuldpresumptie en de ‘fair trial’ zoals neergelegd in art. 6 lid 1 jo. lid 2 EVRM.

Verweren in de ontnemingsprocedure

In de ontnemingsprocedure is niet van belang of de OvJ al dan niet ontvankelijk is in zijn vervolging. Dit betekent dat in de ontnemingsprocedure geen procedurele aspecten meer komen kijken, zoals het horen van getuigen of onregelmatigheden in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte; dit zijn louter verweren die aan de orde dienen te worden gesteld in de hoofdzaak. De ontnemingsrechter is zodoende alleen bevoegd om een zelfstandig oordeel te vellen over de vaststelling en de omvang van het ontnemingsbedrag. In de ontnemingsprocedure kan wel een niet-ontvankelijkheidsverweer worden gevoerd (HR 13 november 2001, NJ 2002/233).

Herzieningsaanvraag bij ontnemingsmaatregel

Omdat de ontnemingsmaatregel geen beslissing in de zin van art. 457 lid 1 Sv is, is een herzieninsaanvraag ten aanzien van de ontnemingsmaatregel niet mogelijk. Deze herziening kan slechts worden aangevraagd ten aanzien van de hoofdzaak, een en ander voor zover daartoe gronden bestaan (nieuwe feiten en omstandigheden).

Indien u meer wilt weten over het strafrecht of over andere rechtsgebieden, neemt u geheel vrijblijvend contact op via tel. 072 512 3229 of via info@appelman.nl voor een gratis kennismakingsgesprek.