Commentaar onder een blogplatform: aansprakelijk of niet?

In een recent arrest heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zich uitgelaten over de vraag hoe ver aansprakelijkheid van een blogplatform reikt voor  commentaar onder die blog (EHRM 7 februari 2017, nr. 74742/14 (Pihl/Zweden). In de zaak stond bij de commentaren onder het blogplatform een bericht van een bezoeker met een voor Pihl beledigende inhoud. Hier zullen wij ingaan op de vraag onder welke voorwaarden een blogplatform aansprakelijk kan worden gehouden voor dergelijke beledigende teksten.

Op de website van het blogplatform stond vermeld dat bezoekers werden geacht zich behoorlijk te gedragen. Eventuele commentaren werden niet gemonitord en er was ook geen overige screening: wel stond bij het posten vermeld dat ieder commentaar voor eigen risico kwam. Ook werd de mogelijkheid geboden schadelijke inhoud te melden aan het blogplatform.

In het geval van het Pihl-arrest werd van deze laatstgenoemde mogelijkheid gebruik gemaakt, waarna de inhoud van de site werd gehaald. Pihl verloor een gerechtelijke procedure echter voor alle nationale instanties en deed vervolgens voor het EHRM een beroep op art. 8 EVRM omdat hij van mening was dat de nationale gerechtelijke instanties hadden verzuimd het recht op privéleven bij het geschil te betrekken. Vervolgens was de vraag aan de orde in hoeverre dit recht opweegt tegen het belang van vrijheid van meningsuiting (ook wel: vrijheid van informatie) zoals neergelegd in art. 10 EVRM.

Het Hof heeft zich in het verleden vaak moeten uitlaten over de vrijheid van meningsuiting en hoe dit zich verhoudt tot de overige in het EVRM neergelegde bepalingen. Thans speelt dit steeds vaker een rol in het onderscheid tussen de analoge en de digitale wereld. Informatie in de digitale wereld heeft namelijk een aanzienlijk groter bereik, is veelal toegankelijk en is bovendien laagdrempeliger vanwege een relatief grote hoeveelheid anonimiteit.

In deze zaak moest het Hof zich uitlaten over de vraag of in het desbetreffende geval een beperking op art. 10 lid 1 EVRM was toegelaten. Dit in verband met eerdere jurisprudentie van het Hof, waarbij doorgaans als regel geldt dat een (wettelijke) beperking op de vrijheid van meningsuiting (vrijheid van informatie) in elk geval is toegelaten wanneer de uiting in kwestie onrechtmatig is, bijvoorbeeld indien de publicatie aanzet tot geweld of kwalificeert als hate speech. In dat geval moet het niet alleen gaan om een wettelijke beperking, dus de beperking moet niet alleen zijn vastgelegd, maar de beperking moet ook noodzakelijk zijn en proportioneel t.a.v. het na te streven doel.

Aansprakelijkheid van het blogplatform?

Soms komt het voor, zoals ook in de onderhavige kwestie het geval was, dat niet de derde (in dit geval de ‘reaguurder’) aansprakelijk kan worden gehouden. In dat geval wordt veelal een beroep gedaan op art. 8 EVRM zodat in dat geval de overheid, als verantwoordelijke voor de naleving van de wettelijke bepaling uit het EVRM, aansprakelijk kan worden gehouden. Hiertoe is uiteraard van belang dat de overheid op enigerlei wijze invloed heeft kunnen uitoefenen om de uit het EVRM voortvloeiende rechten te gelde te kunnen maken.

Voor de vraag of de tussenpersoon, in dit geval het blogplatform, aansprakelijk kon worden gehouden hanteert het EHRM vaste criteria, die reeds in eerdere arresten aan de orde zijn gekomen. Van belang is onder meer de volgende criteria, die stapsgewijs besproken zullen worden:

1. De context van het commentaar

Het Hof nam onder meer in zijn overweging mee dat het bericht na melding direct was verwijderd en dat er excuses door het platform was aangeboden. Voorts achtte het Hof van belang dat het van tussenpersonen niet kan worden gevergd dat ze te allen tijde berichten monitoren, omdat de aanname dat er soms berichten kunnen worden geplaatst die in strijd zijn met de wet zou kunnen leiden tot overmatige censurering, hetgeen op zijn beurt weer een beperking op art. 10 EVRM betekent. Mijn inziens valt hier zeker wat voor te zeggen, aangezien een dergelijke beperking op de vrijheid van informatie ook wordt aangenomen ingeval van perspublicaties (zie onder meer EHRM 10 maart 2009, 3002/03 en 23676/03, Times). In geval van een beroep op art. 10 EVRM in het kader van staatsaansprakelijkheid zou er daarom ook een belangenafweging moeten plaatsvinden tussen die van de tussenpersoon enerzijds en die van de benadeelde partij anderzijds.

2. De getroffen maatregelen door het platform om het beledigende commentaar te voorkomen of te verwijderen

Het Hof oordeelde dat het blogplatform als tussenpersoon voldoende adequate maatregelen had getroffen door een disclaimer te plaatsen. Opmerkelijk is wel dat dit werd aangemerkt als adequate maatregel in het kader van het ‘voorkomen of verwijderen’ van materiaal, aangezien de getroffen maatregel er juist toe strekte dat beledigende uitlatingen niet werden voorkomen. Daarom deze overweging slechts relevant zijn voor zover het blogplatform tijdig en adequaat had gereageerd op het verzoek om de gewraakte uitlating te verwijderen. Ook het feit dat er excuses werd aangeboden en een rectificatie werd geplaatst achtte het Hof van belang. Het Hof herinnerde er vervolgens aan dat de eiser op basis van HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, (Google Spain/AEPD en Mario Costeja González) de mogelijkheid had om een Google-vergeetverzoek in te dienen zodat de zoekresultaten niet langer meer zouden verschijnen.

3. Gevolgen voor de tussenpersoon

In zijn laatste oordeel gaat het Hof in op de vraag in hoeverre nationale rechterlijke uitspraken gevolgen kunnen hebben voor de in art. 10 EVRM neergelegde vrijheid van meningsuiting (vrijheid van informatie). Ondanks dat Phil de nationale procedures had verloren en er dus geen enkele gevolgen waren te overzien voor het blogplatform, overwoog het Hof dat een dergelijke benadering evenwel gevolgen kan hebben voor de vrijheid van meningsuiting. Met andere woorden: het enkele feit dat er naar nationaal recht geen aansprakelijkheid komt te rusten op de verweerder (in dit geval het blogplatform), doet niet af aan het feit dat de vrijheid van meningsuiting op een dergelijk blogplatform kan worden beperkt omdat er een zekere ‘chilling effect’ van uit gaat.

Dit houdt onder meer verband met de vraag of de desbetreffende uitlating op zichzelf staand onrechtmatig is in het kader van art. 8 en 10 EVRM. Als dit zo is, dan zal in de regel mogen worden aangenomen dat de tussenpersoon ook adequate maatregelen treft om dergelijke uitlatingen te voorkomen; aan de andere kant staat dit haaks op de vrijheid van meningsuiting omdat monitoring kan leiden tot overmatige censurering en daarmee afbreuk wordt gedaan op art. 10 EVRM. Overigens betrekt het Hof ook in zijn oordeel mee dat het in casu ging om een blogplatform zonder winstoogmerk: ingeval van commerciële instellingen zal om die reden voor de hand liggen dat er een hogere drempel geldt ten aanzien van de vraag welke maatregelen er dienen te worden getroffen om beledigende uitlatingen te voorkomen dan wel te beperken.

Conclusie

Uit het Pihl-arrest kan niet zonder meer worden afgeleid welke inspanningen mogen worden verwacht van een blogplatform om ‘evident onrechtmatige’ inhoud te voorkomen. Het is een begrip dat onderhavig is aan ontwikkelingen in de jurisprudentie en tot nog toe heeft het Hof geen duidelijk omlijnd kader geschapen voor de vraag wanneer er van dergelijke inhoud sprake is. Het komt de facto aan op een eigen afweging van het blogplatform, terwijl dergelijke afwegingen juist onderhavig zouden moeten zijn aan duidelijke, vastomlijnde kaders om zo het in art. 10 EVRM neergelegde vrijheid van meningsuiting te kunnen waarborgen.

Naar mijn idee zal het, om een eventuele aansprakelijkheidsclaim te voorkomen, in de regel voldoende zijn voor een blogplatform om zelf duidelijke kaders te scheppen (spelregels) voor gebruikers voor deelname. Daarbij dient mijn inziens terughoudendheid te worden betracht bij het leggen van eventuele aansprakelijkheid bij de tussenpersoon, aangezien uit onder meer art. 15 van de e-commercerichtlijn besloten ligt dat zelfcensuur in de regel onverenigbaar is met de beginselen van een democratische rechtstaat. Om die reden zal niet snel mogen worden aangenomen dat een uitspraak, zelfs al is die strafbaar, op zichzelf voldoende grond oplevert om ook tot een aansprakelijkheidsclaim van de tussenpersoon te komen.